Vraag om uitleg van de heer Eloi Glorieux tot de heer Kris Peeters, Vlaams minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, over het doorrekenen van emissierechten in de stroomprijs.


Deze vraag om uitleg werd gesteld in de commissie Openbare Werken, Mobiliteit en Energie van het Vlaams Parlement op 14 februari 2006.

Het officiŽle verslag is terug te vinden in de "Handelingen van het Vlaams Parlement", commissievergadering C145, document nr. OPE13, pagina's 7 tot 11.


De voorzitter: De heer Glorieux heeft het woord.

De heer Eloi Glorieux: Mijnheer de voorzitter, op 1 januari 2005 heeft de Europese Unie een systeem ingevoerd dat de handel in emissierechten tussen bedrijven organiseert. Om dit mogelijk te maken, heeft de EU in 2003 de richtlijn betreffende de emissiehandel aangenomen.

De industriŽle sectoren die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, houden zich bezig met de energieproductie, met de productie en de verwerking van ferrometalen, met de delfstoffen en met de vervaardiging van papier en pulp. De bevoegde overheden hebben de betrokken industriŽle installaties voor de periode 2005-2007 bepaalde uitstootrechten voor broeikasgassen verleend. De exploitanten van de installaties moeten jaarlijks evenveel emissierechten inleveren als ze werkelijk CO2 hebben uitgestoten. Hieraan is een boete per ton CO2-equivalent verbonden. Om over voldoende rechten te kunnen beschikken, hebben de industriŽle operatoren twee mogelijkheden: door in energiebesparing te investeren, kunnen ze de hen toegekende uitstootrechten respecteren, en ze kunnen er ook voor kiezen bijkomende uitstootrechten te verwerven.

Ondernemingen die erin slagen hun uitstoot op een goedkope manier terug te dringen, zullen een overschot aan uitstootrechten kunnen uitbouwen. Dit overschot kunnen ze verkopen aan ondernemingen die hun uitstoot enkel tegen hoge kosten kunnen terugschroeven. Het gemeenschappelijk resultaat is hetzelfde. Aangezien de totale kosten lager liggen, is dit voor de bedrijven een kostenefficiŽnte wijze om de eigen CO2-uitstoot naar beneden te krijgen. Bedrijven mogen immers niet meer CO2 uitstoten dan ze emissierechten bezitten. Door middel van een emissierapport moet elk bedrijf jaarlijks aantonen dat het onder de limiet is gebleven.

Tijdens een vergadering van het Internationaal Energieagentschap op 20 oktober 2005 in Madrid heeft de Fortis Bank het verband tussen de schommeling van de elektriciteitsprijzen en de schommeling van de prijs van de emissierechten uiteengezet. Uit deze uiteenzetting is gebleken dat de grote energieproducenten de bijkomende kostprijs van hun emissierechten gewoon aan de consument doorrekenen. Momenteel kosten de emissierechten 28 euro per ton CO2. Vorig jaar heeft deze prijs tussen 7 euro en 30 euro per ton CO2 geschommeld.

De minister van Energie is onder meer bevoegd voor de toewijzing van de emissierechten aan de elektriciteitssector. Hij moet erop toezien dat de Europese richtlijn betreffende de emissiehandel goed functioneert en dat de sector de meerkost niet gewoon aan de consument doorrekent. Op die manier zou de maatregel zijn doel immers voorbijschieten.

Mijnheer de minister, kunt u bevestigen dat de elektriciteitsprijzen van krachtcentrales die met fossiele brandstoffen werken aan de meerkost en de prijsschommelingen van de emissierechten zijn verbonden? Kunt u hieruit afleiden dat de elektriciteitsproducenten deze meerkost en de reeds vermelde prijsschommelingen gewoon aan de consument doorrekenen? Op welke manier zult u erop toezien dat de uitvoering van de Europese richtlijn betreffende de emissiehandel voor de elektriciteitsproductie daadwerkelijk in een verlaging van de CO2uitstoot en niet in een verhoging van de elektriciteitsprijs voor de consument resulteert?

De voorzitter: De heer Martens heeft het woord.

De heer Bart Martens: Mijnheer de voorzitter, ik moet eerlijk toegeven dat ik de vraag van de heer Glorieux niet goed begrijp.

Ik ga er steeds van uit dat 'De vervuiler betaalt' een van de leidende principes van het milieubeleid vormt. Tot op heden zijn de externe milieukosten steeds op het milieu of op de gemeenschap afgewenteld. De producenten die fossiele brandstoffen gebruiken, stoten meer CO2 uit. Ze kunnen de hieraan verbonden kosten doorrekenen. Een producent met veel steenkoolcentrales zal meer rechten moeten aankopen dan een producent die met gascentrales of, nog beter, met warmtekoppeling of met hernieuwbare energiebronnen werkt. De producenten die hernieuwbare energiebronnen gebruiken, hebben steeds de volledige productiekost moeten dragen. Hun collega's hebben die productiekost op het milieu kunnen afwentelen. Dit concurrentienadeel wordt nu weggewerkt.

Onder invloed van de Europese richtlijn betreffende de emissiehandel zullen de producenten met meer vervuilende centrales meer kosten moeten betalen en meer rechten moeten aankopen dan de producenten die over een schoner productiepark beschikken. Op termijn moet dit uiteraard tot meer investeringen in schone energiecentrales, in hernieuwbare energiebronnen, in warmtekrachtkoppeling en in een verbetering van de energie-efficiŽntie van de bestaande centrales leiden. Indien de reductiekosten voor het terugdringen van de CO2-uitstoot lager liggen dan de kostprijs van de emissierechten voor dezelfde CO2-uitstoot, zal de energie-efficiŽntie van de bestaande centrales worden verbeterd.

De Europese richtlijn zal tot een verlaging van de CO2-uitstoot leiden. Dit effect kan worden berekend. De nationale allocatieplannen kennen voor minder CO2 emissierechten toe dan de betrokken centrales initieel uitstootten. Het nationaal allocatieplan zou de elektriciteitssector in ons land ertoe moeten aanzetten om miljoenen tonnen CO2 minder uit te stoten of om de emissierechten te kopen van de bedrijven die de reducties in hun plek doorvoeren.

Ik begrijp de heer Glorieux dan ook niet goed. Mijns inziens is het net de bedoeling van een milieubeleid om de milieukosten door te rekenen. We beschikken hiervoor slechts over twee denksporen. De eerste mogelijkheid is de invoering van een Europese CO2-heffing. Indien ik me niet vergis, heeft Groen! dit standpunt altijd verdedigd. De tweede mogelijkheid is de invoering van de verhandelbare emissierechten.

In feite verschillen beide denksporen niet sterk van elkaar. Een CO2-heffing legt op voorhand de prijs van de reductie met 1 ton CO2 vast en laat het milieuresultaat door de markt bepalen. Een systeem van verhandelbare emissierechten legt op voorhand de milieuresultaten vast en laat de kostprijs van de reductie door de markt bepalen. Het milieuresultaat bestaat immers uit de emissies die in de nationale allocatieplannen worden toegekend. De tweede mogelijkheid heeft het voordeel dat we op voorhand perfect weten hoe groot de CO2-reductie zal zijn.

Het is de verdienste van een aantal Vlaamse topambtenaren bij de Europese Commissie, waaronder de heer Delbeke, dat het systeem van de verhandelbare emissierechten er is gekomen. De Europese CO2-heffing is er nooit gekomen omdat het hier een fiscale maatregel betreft. Om een fiscale maatregel in te voeren, moet de ECOFIN-raad een unanieme beslissing nemen. Die unanimiteit is nooit bereikt. Een systeem van verhandelbare emissierechten, dat uiteindelijk hetzelfde beoogt, kan met een gekwalificeerde meerderheid worden goedgekeurd. Het systeem van de verhandelbare emissierechten he eft zijn voordelen. Het lijkt me verkeerd aan het nut of de voordelen van dit systeem te twijfelen.

Indien we echt iets aan de elektriciteitsprijs willen doen, kunnen we beter een aantal nietregulerende en niet-gedragssturende heffingen, zoals de Elia-heffing, door gedragssturende heffingen, zoals de heffing op verouderde en afgeschreven centrales die momenteel concurrentieverstorende windfall profits boeken, vervangen. Ik deel de bekommernis van de heer Glorieux. We moeten de stroomprijs onder controle houden. We mogen evenwel niet de aanval inzetten op de heffingen die gedragssturend werken en die milieuvoordelen opleveren.

De voorzitter: Minister Peeters heeft het woord.

Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, de heer Martens heeft daarnet terecht naar de internalisering van de milieukosten verwezen. De vervuiler betaalt. Ik zal hier straks nog op terugkomen. Dit is immers inherent de bedoeling van het hele systeem van de emissierechten.

Eerst wil ik met betrekking tot twee zaken de puntjes op de i zetten. Als minister van Energie ben ik niet bevoegd om de emissierechten aan de elektriciteitssector toe te kennen. De Vlaamse Regering buigt zich over het Vlaams gedeelte van het Belgische toewijzingsplan. Hierbij horen onder meer de installaties voor de productie van elektriciteit uit fossiele brandstoffen.

Het opvolgen van de verhandelbare emissierechten behoort tot de taken van de minister van Leefmilieu en niet tot de taken van de minister van Energie. Volgens de heer Glorieux moet de minister van Energie erop toezien dat de Europese richtlijn goed functioneert en dat de meerprijs niet aan de consument wordt doorgerekend. Dit is een federale en zelfs een Europese bevoegdheid.

Vervolgens wil ik me over de grond van de vraag buigen. De heer Glorieux heeft daarnet naar een onderzoek van de Fortis Bank verwezen. Op Europees niveau zijn ook al een aantal studies en rapporten over dit onderwerp verricht en geschreven. Hieruit komt geen eenduidig beeld over het doorrekenen van de kostprijs van de emissierechten in de elektriciteitsprijs naar voren. De elektriciteitsprijs is op diverse elementen, zoals de productiekost, de eventuele heffingen, de CO2-emissierechten op korte of lange termijn en een winstmarge, gebaseerd. De relatie tussen de evolutie van de emissierechtenprijs en de marktprijs van onze elektriciteit is niet voor 100 percent oorzakelijk van aard.

De elektriciteitssector heeft de emissierechten voor de lopende handelsperiode in het emissiehandelssysteem kosteloos gekregen. Ik ga er dan ook van uit dat de sector geen bijkomende kosten heeft doorgerekend. De sector heeft ook geen bijkomende kosten moeten betalen.

De elektriciteitssector heeft het in principe iets gemakkelijker dan andere sectoren om bijkomende kosten aan de consumenten door te rekenen. Uit de analyses door de Vlaamse administratie Energie blijkt dat de impact van het doorrekenen van aan te kopen emissierechten op de elektriciteitsprijs voor de consumenten nihil of zeer beperkt is.

Aangezien de tarieven tot de federale bevoegdheden behoren, behoort de opvolging van de impact van de emissierechten op de tarieven tot de opdrachten van de federale overheid. De algemene raad van de CREG heeft de directie van de CREG vorig jaar de opdracht gegeven deze problematiek op te volgen. Eind januari heeft minister Verwilghen een studie over de impact van het co2-emissiesysteem op de energieprijzen besteld. Mijn administratie heeft de vraag gekregen hiervoor de nodige expertise ter beschikking te stellen. We zijn op deze vraag ingegaan.

Het systeem is bedoeld om de externe milieukosten in de kostprijs van de elektriciteit op te nemen. Dat is het principe. Afhankelijk van de prijs van de emissierechten kan dit verschuivingen in de merit order teweegbrengen. De merit order is de volgorde waarin elektriciteitscentrales worden ingezet. Zo is er een verschuiving van steenkoolcentrales naar STEG-centrales. Het is de bedoeling zo weinig mogelijk steenkoolcentrales te gebruiken en naar STEG-centrales over te schakelen. Deze omschakeling heeft een positief effect op de emissie van broeikasgassen.

Indien de emissiehandel zou leiden tot een verhoging van de elektriciteitsprijs die meer bedraagt dan wat nodig is om de ontbrekende emissierechten aan te kopen, zou de consument een negatieve impact ondervinden. Dit noemen we windfall profits. Hier situeert zich het gevaar. Naar aanleiding van de allocatie van de emissierechten voor de periode 2005-2007 is onderzocht of in de Vlaamse of de Belgische context van windfall profits sprake kan zijn. Tot op heden heeft de Vlaamse overheid geen aanwijzingen dat op de Belgische markt ten gevolge van de emissiehandel significante windfall profits zouden worden gemaakt. Dit wordt eveneens in andere Europese landen opgevolgd. Op initiatief van Nederland voeren een aantal EU-lidstaten, met name Nederland, BelgiŽ, Duitsland, Denemarken, Finland, Oostenrijk en Groot-BrittanniŽ, sinds enkele maanden overleg om, indien nodig, een passende gezamenlijke reactie op deze problematiek te kunnen bieden. De Vlaamse administratie zal dit uiteraard nauwgezet blijven opvolgen.

Indien bijkomende maatregelen zich opdringen, zullen we ze nemen. Er kan een effect op de prijs voor de consument zijn. Dit effect is in feite inherent aan het systeem. De elektriciteitssector wordt door de handel in emissierechten aangemoedigd om zo weinig mogelijk CO2 uit te stoten. De merit order stimuleert de sector om zoveel mogelijk andere centrales te gebruiken. Indien de elektriciteitsprijzen meer zouden stijgen dan de aankoop van de ontbrekende emissierechten, zouden we met windfall profits worden geconfronteerd. De Vlaamse administratie volgt dit op. De Europese overheid heeft reeds maatregelen genomen om dit verder op te volgen. Indien dit tot aberraties zou leiden, zullen we bijkomende initiatieven nemen.

De voorzitter: De heer Glorieux heeft het woord.

De heer Eloi Glorieux: Ik denk, in tegenstelling tot wat de heer Martens daarnet heeft verklaard, dat het doorrekenen van de emissierechten niet sturend werkt. Indien de uitbaters de meerprijs gewoon kunnen doorrekenen in plaats van zelf te moeten betalen, zal er weinig ecologische bijsturing komen. Pas als de aandeelhouders van de vuile centrales zich verplicht zien zelf te betalen, zullen ze de vuile centrales afbouwen en meer in hernieuwbare energie investeren.

Tot dan zitten we met een markt waarop de echte concurrentie slechts een minimale rol speelt. De dominante speler kan het zich permitteren de meerprijs gewoon aan de consument door te rekenen. Aangezien de consument gewoon betaalt, heeft dit geen ecologisch effect. De aandeelhouders wrijven zich in de handen. De dominante speler beschikt trouwens over veel kerncentrales. Aangezien hiervoor geen emissierechten moeten worden betaald, kan de dominante speler op deze manier een groot gedeelte van de meerkost recupereren. Dit heeft geen enkel bijsturend effect op onze ecologie.

Ik kan me dus zeker vinden in het argument dat de vervuiler betaalt, maar dat is nu net het probleem. In dit geval is het eens te meer de consument die de meerprijs betaalt, terwijl eigenlijk de aandeelhouder de dans ontspringt en zeker niet wordt aangezet tot investeringen in hernieuwbare energie in plaats van in met fossiele brandstoffen gestookte centrales.

Minister Kris Peeters: We krijgen hiermee natuurlijk weer het debat over de monopoliepositie van Electrabel en dergelijke, waar we het al over gehad hebben. Het concept is echter duidelijk: de vervuiler betaalt door de internalisering van de milieukost, in dit geval als gevolg van de broeikasgassen. Het probleem van de monopoliepositie is een ander probleem dat niet gereduceerd kan worden tot het probleem van de emissierechten.

De voorzitter: De heer Martens heeft het woord.

De heer Bart Martens: We mogen die twee zaken niet vermengen. Het probleem van de monopoliesituatie en het risico van prijsmanipulatie dat daar van uitgaat is niet hetzelfde als dat van het systeem van de CO2-emissiehandel. Dat laatste systeem zal er hoe dan ook, en zelfs voor een monopolist, toe leiden dat de reductiemaatregelen die per ton vermeden CO2 minder kosten dan een emissierecht, toch zullen doorgaan. Waarom zouden de aandeelhouders van een monopolist de verdere kansen op winstmaximalisatie niet grijpen?

Naarmate er nieuwe spelers investeringskansen krijgen op onze markt, zullen zij onder invloed van het systeem van emissiehandel meer kiezen voor milieuvriendelijke centrales, en zullen ze zeker niet beginnen met de bouw van een oud type steenkoolcentrale.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

Terug

Redacteurs en sponsors gevraagd voor deze website:


Opgelet : teneinde spam te vermijden, moet u bovenstaand e-mailadres zelf intikken en wordt er geen link gelegd.